Paardensport - Springen
Een
spring paard kan alleen goed springen als de spring ruiter en spring
paard goed samenwerken
en
als het spring paard zo min mogelijk gehinderd wordt door het gewicht
van de
springruiter
tijdens het springen. Om goed te kunnen springen, zal een springruiter
eerst
een onafhankelijke (verlichte) zit moeten ontwikkelen om op het paard
in te
kunnen werken.
Verlichte
zit
Om
een goede balans te houden moet de springruiter
leren zijn gewicht zo veel mogelijk op dezelfde plaats te houden. De
spring
ruiter moet stil kunnen zitten zonder zich vast te houden aan de
teugels. In
een goed evenwicht kan hij dan de juiste been- en teugelhulpen geven.
Die
juiste houding tijdens het springen noemen we de verlichte zit. De
beugels
zitten enkele gaatjes korter om de knieën vaster tegen het
zadel te kunnen
houden. Het bovenlichaam van de springruiter komt iets naar voren en
omhoog
waardoor zijn gewicht wordt overgebracht naar de beugels zodat de rug
van het
paard minder wordt belast tijdens het springen.
Soorten
hindernissen
Er
zijn enkelvoudige en meervoudige hindernissen voor
het springen. De meervoudige bestaan uit 2 of meer spring onderdelen. De twee
belangrijkste enkelvoudige
hindernissen zijn de stijlsprong en de breedtesprong of oxer. Tot de
stijlsprong
behoren een aantal
bomen of planken
boven elkaar, een recht hek en een muur opgebouwd uit blokken. Tot de
breedtesprongen behoren verschillende soorten oxers, de triple bar
(schuin
oplopende balken) en de sloot.
Winstpunten
Door
het behalen van winstpunten kan een springruiter
net als bij dressuur in een hogere klasse komen. De wedstrijden zijn te
verdelen in A- en C-wedstrijden.
Kleding
Net
als bij een dressuurwedstrijd moeten het springpaard
en de springruiter er netjes verzorgd uitzien. Voor de spring ruiter is
het
dragen van laarzen, rijbroek, overhemd, das/plastron verplicht. Bij
extreme
hitte kan de jury beslissen of het dragen van een rij-jasje niet
verplicht is.
Het
rijden in overhemd, pully of T-shirt is ook bij
extreme hitte niet toegestaan. Bij slecht weer kan de jury het dragen
van een
regenjas toestaan. Het rijden met sporen en rijzweep is altijd
toegestaan. De
rijzweep mag echter nooit langer zijn dan 75 cm.