Paardrijden

Paardensport

Soorten

Geschiedenis

Uiterlijk

Producten

Onderhoud

Aanschaf

Stalling

Vakantie

Transport

Kado tip

Downloads

 

Algemeen

Paard/Mens

Oorlog

Boerenpaard


GeschiedenisPaarden geschiedenis

Over de geschiedenis van het paard is dankzij fossielen veel bekend. Alle paarden en andere zoogdieren stammen af van hetzelfde kleine diertje: De Eohippus.

De Eohippus

De Eohippus leefde in het Eoceen (ca. 54 miljoen jaar geleden). Deze Eohippus had kiezen met kleine kauwvlakken, zodat hij goed op de sappige bladeren uit zijn bosrijke omgeving kon kauwen. Ook had hij aan zijn voorbenen vier tenen (en een vijfde die een stuk kleiner was) en aan zijn achterbenen drie tenen (en een stuk kleinere eerste en vijfde teen).

De Mesohippus

De Mesohippus, die in het Oligoceen (38 miljoen jaar geleden) leefde, was groter dan de Eohippus en had zich beter aangepast aan het bosmilieu. De vierde teen aan de voorbenen was verdwenen.
In het Mioceen (25 miljoen jaar geleden) nam de hoeveelheid grasland heel erg toe, en verdween dus een groot deel van de bladeren die hij normaal at. Gras was een stuk harder en daar waren zijn tanden oorspronkelijk niet geschikt voor. Alleen dieren, waarvan de tanden zich hadden aangepast aan het gras, konden overleven.

De Meryhippus

Vervolgens werd de middelste teen langer dan de buitenste tenen, om zijn gewicht, dat natuurlijk tegelijk met de grootte toegenomen was, te kunnen dragen. Bij de Meryhippus waren de buitenste tenen nog te zien, en werden ook nog gebruikt als het dier snel over zacht terrein liep, maar bij de Pliohippus waren deze tenen verdwenen en vervormd tot griffelbeentjes. De Pliohippus had een langere hals dan zijn voorouders, en sterkere kauwspieren. Door deze kauwspieren (van de onderkaak) werden de spieren van de bovenkaak minder gebruikt en kwam er meer ruimte voor de hersenen in het hoofd.

Het paard

In het Pleistoceen ontstond uit de Pliohippus de Equus Caballus, dit is het paard zoals wij dat nu kennen. In deze periode was ook de grote ijstijd. Hierdoor werden alle dieren steeds meer naar het zuiden gedreven. Veel dieren die daarvoor op het noordelijk halfrond hadden geleefd, kwamen nooit meer terug. Dit zou een verklaring kunnen zijn voor het feit dat in Amerika geen paarden waren toen Columbus dat ontdekt had.

Na de ijstijd waren grote toendra’s ontstaan op de gebieden waar het ijs gelegen had. Hier ontstonden op sommige plaatsen grote bossen. De paarden die door het ijs naar het zuiden waren gedreven, kwamen weer terug en verspreidden zich over de toendra’s. Ze pasten zich aan de nieuwe omstandigheden, zoals het klimaat en de plantengroei. Hierdoor ontstonden verschillende types paarden. De evolutie van het paard heeft zich afgespeeld in Noord-Amerika. Van daaruit zijn de paarden naar de andere werelddelen gegaan (in die tijd zaten de continenten nog aan elkaar vast). Uiteindelijk stierf het paard in Amerika (dat toen wel een apart continent was) uit, en werd pas na Columbus (1492) weer ingevoerd.
 



Google

Copyright 2008. Alle rechten voorbehouden. Gebruiksrechtovereenkomst.
Webdesign door Daan van Hasselt