Geschiedenis - Paarden geschiedenis
Over de geschiedenis
van het paard is dankzij fossielen veel bekend. Alle paarden en andere
zoogdieren stammen af van hetzelfde kleine diertje: De Eohippus.
De Eohippus
De
Eohippus leefde in het Eoceen (ca. 54 miljoen jaar geleden). Deze Eohippus had
kiezen met kleine kauwvlakken, zodat hij goed op de sappige bladeren uit zijn
bosrijke omgeving kon kauwen. Ook had hij aan zijn voorbenen vier tenen (en een
vijfde die een stuk kleiner was) en aan zijn achterbenen drie tenen (en een
stuk kleinere eerste en vijfde teen).
De Mesohippus
De Mesohippus, die in het Oligoceen (38 miljoen jaar geleden) leefde, was
groter dan de Eohippus en had zich beter aangepast aan het bosmilieu. De vierde
teen aan de voorbenen was verdwenen.
In het Mioceen (25 miljoen jaar geleden) nam de hoeveelheid grasland heel erg
toe, en verdween dus een groot deel van de bladeren die hij normaal at. Gras
was een stuk harder en daar waren zijn tanden oorspronkelijk niet geschikt
voor. Alleen dieren, waarvan de tanden zich hadden aangepast aan het gras,
konden overleven.
De Meryhippus
Vervolgens werd de middelste teen langer dan de buitenste tenen, om zijn
gewicht, dat natuurlijk tegelijk met de grootte toegenomen was, te kunnen
dragen. Bij de Meryhippus waren de buitenste tenen nog te zien, en werden ook
nog gebruikt als het dier snel over zacht terrein liep, maar bij de Pliohippus
waren deze tenen verdwenen en vervormd tot griffelbeentjes. De Pliohippus had
een langere hals dan zijn voorouders, en sterkere kauwspieren. Door deze
kauwspieren (van de onderkaak) werden de spieren van de bovenkaak minder
gebruikt en kwam er meer ruimte voor de hersenen in het hoofd.
Het paard
In het Pleistoceen ontstond uit de Pliohippus de Equus Caballus, dit is het
paard zoals wij dat nu kennen. In deze periode was ook de grote ijstijd.
Hierdoor werden alle dieren steeds meer naar het zuiden gedreven. Veel dieren
die daarvoor op het noordelijk halfrond hadden geleefd, kwamen nooit meer
terug. Dit zou een verklaring kunnen zijn voor het feit dat in Amerika geen
paarden waren toen Columbus dat ontdekt had.
Na de ijstijd waren grote toendra’s ontstaan op de gebieden waar het ijs
gelegen had. Hier ontstonden op sommige plaatsen grote bossen. De paarden die
door het ijs naar het zuiden waren gedreven, kwamen weer terug en verspreidden
zich over de toendra’s. Ze pasten zich aan de nieuwe omstandigheden, zoals het
klimaat en de plantengroei. Hierdoor ontstonden verschillende types paarden. De
evolutie van het paard heeft zich afgespeeld in Noord-Amerika. Van daaruit zijn
de paarden naar de andere werelddelen gegaan (in die tijd zaten de continenten
nog aan elkaar vast). Uiteindelijk stierf het paard in Amerika (dat toen wel
een apart continent was) uit, en werd pas na Columbus (1492) weer ingevoerd.